Vandaag zullen we bidden voor de dolende zielen Die zich nederig smekend in het vagevuur bevinden En hun harten hebben uitgesneden en ze dragen het in hun handen En met hun ogen het kloppen van hun sterfelijkheid aanschouwen Het kloppen van het hart, het hart klopt in hun handen Hun tongen proeven of het zoet is Maar ze proeven alleen bitter En ze zien de grauwe wachter met de sleutels van de afgrond Ze vragen aan die schaduw: “Hoe verdwijnt het bitter?” En ze vragen aan de schaduw: “Hoe maak ik mijn hart lichter? Want straks komt de weegschaal Met enerzijds mijn zondes En anderzijds een veer van licht Hoe kunnen ondermaanse daden Minder wegen dan een veer?” En ze vragen aan de schaduw: “Maak mijn hart toch minder bitter Want dit kloppende orgaan is veel te zwaar, is veel te zwaar” Vandaag zullen we bidden voor de dolende zielen Vandaag zullen we bidden voor de dolende zielen Die tussen gerechtigheid en mededogen Een touw zien gespannen Met de gouden poort aan de overzijde En de vlammen beneden Een naamloze massa die wacht hoe zij de oversteek gaan nemen En bovenzijds een loopbrug waar duur geklede zondaars met ongewogen harten hun vrije oversteek mogen nemen Zichtbaar voor het oog, te ver om de sprong te wagen Vandaag zullen we bidden voor de dolende zielenVandaag zullen we bidden voor de dolende zielen Hun hart huilt in hun handen Hun hart vraagt: “Was ik zo slecht Wie zegt me wat ik verkeerd heb gedaan?” Vandaag zullen we bidden voor de dolende zielen Vandaag zullen we bidden voor de dolende zielen Wanneer aarde aan het barsten is En de schuldvraag gonst in een storm van wilde krekels De donder en de bliksem en natuurlijk is er regen De grauwe wachter met de sleutels van de afgrond buldert: “Schuldig!” De grauwe wachter met de sleutels van de afgrond buldert: “Schuldig, schuldig, schuldig!” En de huilende harten smeken: “Schuldig dan van wat? Wat hebben wij misdaan..? Wat hebben wij misdaan?” De grauwe wachter buldert: “Schuldig zijn de melaatsen Uw sombere hart heeft uw lichaam verzwakt U bent onrein, u bent walgelijk Schuldig zijn de ongelovigen en de afgodenaanbidders God verplettert de hoofden van zijn vijanden De harige kruinen van wie met schuld zijn beladen, jullie voeten zullen waden in jullie eigen bloed, met hun tongen zullen jullie honden ervan likken Schuldig zijn de vrouwen, gij koeien van Basal Die zich in de nachtmerrie der verlichting aan de man gelijk wanen Schuldig zijn de mannen die met mannen liggen U begaat een gruwel Uw bloed is op u en u zult zeker ter dood worden gebracht Schuldig zijn de ontslagen slaven die hun vrouw en kind niet willen verlaten U zult worden verminkt door een priem die door uw oor worde geslagen Schuldig is hij die zijn eerst geboren zoon niet aan de Heer offert Schuldig is hij die overspel pleegt Zijn bloed is op hem Dieven, hebzuchtigen, dronkaards en afpersers U zult allen Gods Koninkrijk niet erven” Vandaag zullen we bidden voor de dolende zielen De dag van de HEER breekt aan, meedogenloos, grimmig, in brandende toorn Het land zal in een woestenij veranderen De zondaars die er wonen verdelgt hij Wie gegrepen wordt, zal doorstoken worden, wie weggevoerd wordt zal omkomen door het zwaard Hun kinderen worden voor hun ogen doodgeslagen, hun huizen geplunderd, hun vrouwen verkracht En hij die zich opstandig weet zal omkomen in de strijd, zijn kleine kinderen zullen worden doodgeslagen, zijn zwangere vrouw opengereten De dag van de Heer breekt aan meedogenloos, grimmig, in brandende toorn En daar zien wij de doden... Door de zeeën opgebraakt uit de graven gebarsten Staande voor een troon en er worden boeken geopend En de doden worden geoordeeld En ze kijken in de afgrond En de brandende toorn kolkt als lava in de diepte En de zondaars kijken angstig in de diepte En wij kunnen wel bidden voor de dolende zielen Maar zijn wij zelf niet even zondig? Zijn wij zelf niet even schuldig? Is ons bloed niet op ons? Staan wij daar zelf niet voor de afgrond? Angstig op het touw met de brandende toorn onder ons? Kunnen wij onze ogen wel afhouden van de weerzinwekkende diepte? De schaduw met de sleutels heeft onze hel geopend Wij zijn schuldig, schuldig, schuldig! En u kunt niet langer wegkijken voor het vuur U kunt niet langer wegkijken voor het vuur U kunt niet langer wegkijken voor het vuur En we worden allen in de poel des vuurs geworpen Hooghartig hebben we gebeden voor de dolende zielen Maar niemand zal nog bidden voor onze grote schuld En we worden gewogen en onze harten te zwaar bevonden En we worden door de brandende toorn des almachts In de poel des vuurs geworpen We worden door de almacht In de poel des vuurs geworpen In de poel des vuurs geworpen In de poel des vuurs geworpen Ga heen in de vrede van De Big On